Elle Eggels in Granada
   

Granada zien en dan sterven

 

“Vrouw, geef die man een aalmoes.
Er is niets ergers dan blind te zijn in Granada”*

Als schrijver maak je altijd aantekeningen van de dingen die je ziet, die je tegenkomt, die je beleeft. Je beschrijft de mensen die je ontmoet en daarna gebruik je al die indrukken vaak in een heel andere context, maar een deel van de waarheid blijft herkenbaar. Zo zal mijn reis naar Granada eens in een roman terechtkomen. HET ALHAMBRA Als je toch in Spanje bent, moet het.

Volgens de gidsen is er dan één absoluut hoogtepunt; Je kunt de planeet niet verlaten zonder het Alhambra gezien te hebben! Opgeblazen lucht!
Door het toegangskaartje extreem duur te maken wordt de bijzonderheid bevestigd. Anne van Ardanza regelde op het allerlaatste moment nog een kaartje voor Cox en mij dat nog maar een fractie kostte van de internet-tickets. Dat we zonder in de rij te hoeven staan uit een machine haalden en waarmee we overal in en overheen konden behalve in dat ene Paleis – Waar je een vermogen voor moet uitgeven en dat evengoed nog een hoop restricties heeft. Je moet exact op de aangegeven tijd naar binnen en desondanks sta je weer in de rij.

Het bijzondere van het Alhambra is het uitzicht over de stad,
• de vele kerken,
• de grotwoningen van de zigeuners in Sacromonte
• en de Sierra Nevada, zelfs in deze bloedhitte met nog wat sneeuw.

Alleen al daarom neem je toch dat gekke toeristentreintje naar boven. De Basilica Granada koketteert met z’n moorse verleden maar het katholicisme heeft zich eigenlijk alles toegeëigend. Je moet de Kathedraal zien en de Capilla Real waar de katholieken liggen die verantwoordelijk zijn voor de hernieuwde roomse hiërarchie.

Maar waarom vertellen de gidsen haast niets over de Basilica van San Juan de Dios? Deze San Juan is niet Johannes de Doper en ook niet Johannes de Evangelist. Deze Juan was een door God geroepen arme jongen die verheven is tot beschermheilige van de hele wereld. Zo vertelt ons de portier van de kerk Dat zo’n monnik, die zo begaan was met de armen en de zieken, geëerd wordt met de allerrijkste kerk die je je kunt voorstellen, is niet te rijmen. Zal hij hoofdschuddend op zijn wolkje zitten? Misschien heeft dat wolkje nu ook gouden randjes.

 

In die kerk, die basiliek
valt je mond open en komt er geen geluid meer uit.
Zoiets bestaat er voor de rest op de wereld niet.
Ik heb erg veel tempels gezien maar zoiets nog nooit.
Een overrompelende rijkdom.
Er is geen stukje pleisterwerk dat niet met bladgoud is bedekt,
geen nis zonder altaar, geen arcade zonder engel.
Je kunt alles van verschillende niveaus bekijken,
vanaf de begane grond, vanaf verschillende balkons.
Je ogen gaan ervan tranen.
Misschien noemen stijlfreaks dit kitsch, dat mag zo zijn maar
het ontroert en maakt je kortademig.
Je moet steeds weer terug om de dingen
te zien die je gemist hebt.
Als je maar een paar uur in Granada hebt en
je moet kiezen tussen het Alhambra en de Basilica?
Zeker weten waarmee je je herinnering volstopt.

 

Flamenco vraagt om duende.

Hij moet te lang haar hebben, dat zwiert en nat wordt van het zweet en eigenlijk moet hij halverwege zijn shirt uitgooien. Maar dit was een “guiri”. Hij was te lang, zijn haar te kort, hij trok theatraal aan zijn vestje en hield het aan. Maar als ‘niet-gitano’ danste hij fabuleus. Hij hakketakte in triltempo. Hoeveel techniek kun je je toe eigenen? Maar dat is nog geen DUENDE. Zij had het wel. Haar techniek was net zo goed, ze flirtte met de gitarist, een echte zigeuner met te lang haar en broeiende ogen. Ze danste het vuur van de hemel in de Casa del Arte Flamenco in de Cuesta de Gomerez in de moorse wijk onder aan de heuvel van het Alhambra. En wij gingen na een uur opgetogen maar weer aan de wijn om op de ziel en zaligheid van de flamenco te proosten. En hoe lief blijkt Granada dan te zijn? Na de vurigheid van de flamenco, is het volk en het verkeer een en al rust en vriendelijkheid. Geen ongeduldig getoeter ook als de weg even verstopt is. Bij elk glaasje wijn krijg je een tapa – bij de prijs inbegrepen. Omdat we het niet op kregen lieten we een paar nomadenmeisjes, die met rugzakken al maanden onderweg waren en duidelijk geen eurootjes meer hadden voor een glaasje of tapa, ons bordje leegeten. Toen kwam de eigenaar op hen af, niet om hen weg te jagen van zijn terras. Hij gaf hen nog een niet opgesnoepte tapa in een doosje mee om ergens op te gaan eten. Lief Granada.

De engelen van Granada

Hoe goed voorbereid kun je naar Granada reizen? Er komen adviezen van her en der maar uiteindelijk bepaalt het lot je bestemming.
Dat is de charme van reizen. We hadden zo’n mooie routebeschrijving van Conil naar hotel Los Jeronimos aan de Calle Gran Capitan in Granada. De eerste hobbel in de beschrijving was de oprit naar de snelweg richting Jerez. Die was afgesloten maar aangezien dat nog bekend terrein was raakten we daarvan niet in verwarring. Pas toen het papiertje van belang werd kwam de paniek.We werden vlak voor Granada omgeleid en kwamen geen straat meer tegen die ons beschreven was. Hoe het zit met die engeltjes die over ons waken weet ik niet, op het moment dat we het echt niet meer wisten,
tikte Cox een ‘motorista ‘op de schouders en vroeg of hij de Calle Gran Capitan wist.“Si Si, sigue me,” zegt de gehelmde lieverd en scheurt voor ons uit door de benauwdste straatjes met abrupt rechte afslagen.Zelfs met ons kleine, gehuurde Aygootje, moesten we toch nog af en toe steken. En voor het hotel, zwaaide de engel ons gedag.

Gottegot, je zou met een camper de gekkigheid in de kop krijgen om zo’n stad binnen te rijden.

Granada vermoorst weer

De stad heeft talloze winkelstraatjes waar voornamelijk Marokkanen hun negotie hebben.
Kleine winkeltjes met goedkope kleding, sieraden, keramiek die wel typisch is voor de talleres in het dal van de Sierra Nevada, keramiek die volgens vriendin Cox helaas niet meer de oorspronkelijke diepblauwe kleur heeft zoals vroeger. Maar na eindeloos zoeken en vragen kwamen we in een winkeltje die nog oude voorraad had en opgetogen kocht ze meer schalen dan ze nodig had, want wat moest ze beginnen als er een stuk viel en er geen nieuwe meer te krijgen zou zijn? In een van de winkeltjes legde een oudere heer, heel precieus hele klein stukjes ivoor in een dienblad. Vragen om over het ambacht te praten dat, hij waarschijnlijk van zijn voorvaders had geleerd, beantwoordde hij niet. Het kan zijn dat hij ons Spaans niet verstond, het kon zijn dat hij alleen Andalusisch had geleerd, misschien niet eens naar school was geweest. Maar zijn vak was heilig. Hij maakte dozen en schalen, schilderijlijsten en kleine juwelenkistjes met zijn juwelenhand.

Afdingen?

Het hoort bij het Afrikaanse zakendoen maar de Moren in Granada zijn Europees geworden. Afdingen lukt niet, met een grote glimlach krijg je, “omdat jij het bent”, een speciaal prijsje, en dat krijgt iedereen ook als hij niet gaat sjacheren over het bedrag. Beter eerst maar in alle winkeltjes even naar de prijzen vragen want ze verschillen toch. Wij hebben ons gek gekocht in het straatje onderaan het Alhambra omdat ene Mohamed of Abdullah ons helemaal inpakte met zijn charme maar geen cent van zijn berekende winst af deed maar wel lekkere prijzen had. Onderaan in het Albaicin is de grootste soek. Dat vonden en vinden de beroepsgidsen ook die er hun Japannertjes – met papapluutjes tegen de zon – door de smalle straatjes trekken waar de zon nauwelijks bij kan komen. De vriendelijkheid is daar minder, de prijzen liggen hoger maar op de pleinterrasjes lustigt het oog zich aan dit soort processies van argeloze toeristen die “Granada doen en dan sterven”.

De fonteintjes

Hoewel ik erg wantrouwend ben als het gaat om water dat uit de kraan komt, zagen we heel veel mensen hun flesjes vullen bij de vele fonteintjes in de stad. Ik heb het ook gedaan en geen diarree gekregen. Veilig water dus.

Het maffe treintje

Je komt het in zoveel steden tegen. Het ziet er suf uit maar het is toch de ideale manier om even de stad te verkennen zonder blaren aan de voeten te krijgen – of kort van adem te worden als je omhoog moet. En in Granada is het een bijna bloedstollend avontuur als je de route omhoog naar het Alhambra neemt. Het karretje kreunt, steunt en gromt en toch komt het boven. Omlaag is nog spannender want het draait en kronkelt door straatjes waar het maar net tussendoor past en de paar zwetende voetgangers in een portiek moeten springen en je vraagt je bang af of de remmen het wel houden. Voordeel is dat je uit kunt stappen als het te griezelig wordt en als je dat in het Albaicin doet, moet en mag je trapjes en bijna glijbaantjes af met als beloning dat je op elke hoek weer een ander uitzicht over de stad cadeau krijgt. Granada; daar blind zijn is de ergste straf die het leven je kan geven.

12 juli 2017

Tekst: Elle Eggels
Foto’s: Cox van Loenhout

 

* Citaat van poëet Francisco de Asís de Icaza y Beña

 

 
 
Tip een vriend ›