Parels in Midden Spanje
   

Verborgen parels in het hart van het Iberisch schiereiland

– door Pauline Blom, journaliste en auteur –

Een zwoele septemberavond in Toledo. Amper een uur rijden ten zuiden van Madrid is de buzz van de wereldstad, 90 kilometer verderop, ver weg. Er wordt geflaneerd, de terrassen zitten vol, op een pleintje roepen voetballende jongetjes dat ze Leo Messi zijn. Of juist Christiano Ronaldo. De hoge muren in het oude centrum weerkaatsen hun geschreeuw en de zachtgele straatverlichting maakt het een bijna magisch tafereel. Alsof de tijd eeuwen stil heeft gestaan.

Net buiten de hoofdstad Madrid, weg van de Costas, begint een heel ander Spanje. Dat van de uitgestrekte vlakten van de Meseta. Glooiende steppes met koeien en olijfbomen en hier en daar een finca, kasteel of burcht, onder strakblauwe luchten. Een streek van ruige bergketens en natuurparken. Afgewisseld met middeleeuwse dorpjes en juwelen van steden als Segovia, Avila, Toledo en Salamanca.

Het hart van het Iberisch schiereiland is betoverend, had Ardanza Reizen me gewaarschuwd. Om vervolgens een lijst van deels verborgen parels op tafel te leggen. Onweerstaanbaar.

Zodra Toledo in zicht komt, is duidelijk wat ze bedoelden. De stad, gebouwd in 190 voor Christus, is een plaatje. De rivier de Taag kabbelt rond de heuvel waarop de vesting is gebouwd. De Middeleeuwse smeltkroes van christelijke, islamitische en joodse cultuur heeft een mix opgeleverd van groteske kerken en slingerende smalle weggetjes tussen hoge muren. Van off-white tot zacht bruin. De kathedraal, die stamt uit de zesde eeuw, is absoluut fenomenaal. Al is het slenteren door de stad het eigenlijke hoogtepunt. Spaans tot op het bot, levend en bewoond, met om iedere hoek weer een ander uitzicht.

Het is één van de steden en monumenten in Midden Spanje (Castilla y León, Madrid, Extremadura en Castilla La Mancha) die op de werelderfgoedlijst van Unesco staan. Net als het Acuaduct van Segovia, de stad Merida met haar Romeinse amfitheater, de Casas Colgadas (hangende huizen) van Cuenca en het koninklijke paleis van Aranjuez. Alles gelegen in een landschap dat voortdurend wisselt van gezicht. Van de Montes de Toledo, met uitgestrekte mediterrane bossen in het zuiden, tot de Serranía de Cuenca in het oosten.

Het is een streek die de Spanjaarden graag voor zichzelf houden, waar toeristen de weg moeten weten om de verborgen schatten eruit te kunnen plukken. Zoals Guadalupe, bergdorp even buiten Cáceres, ernstig aanbevolen door Ardanza. En terecht. De 2100 inwoners leven er van het schapen hoeden, de oogst van de kurkbomen én een groeiende groep pelgrims. Die de Zwarte Maagd van Guadalupe van dichtbij willen zien, in het Real Monesterio (koninklijke klooster).

Het klooster blijkt een dorp op zich. Verdeeld over 20.000 vierkante meter wordt de Zwarte Maagd er op alle mogelijke manieren vereerd. Katholieke pracht en praal in optima forma. Met een verzameling schilderijen waarop alle wonderen van de heilige zijn afgebeeld, drie musea, een voormalig hospitaal, imposante binnentuinen en natuurlijk de kapel zelf. Waar de Zwarte Maagd in het hart van een gigantisch altaar, gekleed in goudbrokaat en omringd door gouden kandelaars, uitkijkt over de gelovigen.

Op het terras in één van de binnentuinen vertelt gids Juan het verhaal van de illustere Diego Caballero, conquistador en handelsreiziger, geboren in Guadalupe in 1517. Na een wilde tijd in Zuid-Amerika en het Caraïbisch gebied vestigde Diego zich op hoge leeftijd uiteindelijk in Sevilla. Waar hij tot inkeer kwam over zijn wandaden. Jaarlijks maakte hij nog één reis: een pelgrimstocht naar Guadalupe. Om de Zwarte Maagd te danken, die zijn ziel had gered. En een grote donatie te doen, waar veel van de pracht en praal van het klooster aan is te danken.

Na een nacht in openluchtmuseum en Werelderfgoed stad Caceres, tot op de vierkante centimeter perfect gerestaureerd, is het Sierra de Peña de Francia de ultieme tegenhanger. Weer een gouden tip. Een uur rijden naar het noorden, richting Salamanca, in de grensstreek met Portugal, wachten groene en lommerrijke bergen. Een bijzonder contrast met de uitgestrekte en veel drogere vlakte van Extremadura.

Wandelend door Parque Natural Las Batuecas, tussen varens, rotspartijen, langs de oever van de rivier río Alagón, blijft de zwarte ooievaar helaas uit beeld. De kleine kolonie nestelt hoog en deels in het voor wandelaars niet toegankelijke deel van het natuurpark. Maar op aanwijzing van een lokale kenner komen wel koekoeken, patrijzen, roodborstjes, klauwieren en kwikstaarten voorbij in het door de Unesco als biosfeerreservaat erkende gebied.

Na een roze-rode zonsondergang, bekeken vanaf het op 1732 meter hoogte gelegen dominicaner klooster van Nuestra Señora de la Peña de Francia, wacht de nacht in het middeleeuwse bergdorpje La Arberca. Een van de vele monumentale juweeltjes die her en der verspreid op de toppen en flanken zijn gebouwd.

De volgende reis staat al gepland. Want de lijst met gouden tips is nog lang. Dit voorjaar staat een trip naar het Nationaal Park Monfragüe op de agenda. Om op de steile rotswanden te speuren naar de de Spaanse keizerarend en vale gieren. Plus natuurlijk een bezoek aan de molens van Don Quijote. De ultieme tourist-trap wellicht, maar onvermijdelijk na het lezen van Cervantes meesterwerk.

Pauline Blom,

28 april 2013

 

Noot Ardanza: Meer verhalen van Pauline over (haar leven in) Spanje vind je op http://www.denieuwepers.com/cat/auteurs/pauline-blom/

 
 
 

Tip een vriend